MFBG 901 - Montage-instructies

  • Bijgewerkt

Dit artikel legt uit hoe u de MFBG 901 van Boretti in elkaar zet.

Aanwijzingen voor de installateur

Belangrijk

  • De installatie mag uitsluitend worden uitgevoerd door een gekwalificeerd elektricien, in overeenstemming met de lokaal geldende voorschriften en de aanwijzingen van de fabrikant. Als hieraan niet wordt voldaan, vervalt de garantie.
  • Het toestel moet overeenkomstigde verordeningen van kracht in uw land en in observatie van de instructies van de fabrikant worden geïnstalleerd.
  • Indien het apparaat wordt aangesloten op het elektriciteitsnet via een stopcontact in de muur achter het apparaat, mag het stopcontact zich hoogstens 18 cm boven de vloer bevinden.
  • Sommige apparaten worden geleverd met de stalen en aluminium delen bedekt met beschermfolie.
  • U moet de beschermfolie verwijderen voordat u het fornuis in gebruik neemt. 7 Installatie Dit toestel behoort tot beschermingsklasse “2/1” tegen de oververhitting van aangrenzende oppervlakken. Tussen het toestel en de muur of kast ernaast moet minstens 200 mm afstand bewaard worden (afb. 7.1). De meubelwanden moeten bestand zijn tegen een temperatuur van 75°C boven de omgevingstemperatuur. Het fornuis mag geïnstalleerd worden in een keuken, in een eetkeuken of in een eenkamerwoning met kookhoek, maar niet in een vertrek met een badkuip of douche. De afstand tussen het fornuis en een wand (muur kast) aan de zijkant die hoger is dan het fornuis, moet minstens 500 mm bedragen. Het fornuis moet overeenkomstig aan afb. 7.1 geïnstalleerd worden. Achterscherm Monteer het achterscherm “C” (afb. 7.2) alvorens het fornuis te installeren.
  • Het achterscherm “C” vindt u in de verpakking achter het fornuis.
  • Verwijder de beschermfolie en plakband voordat u het achterscherm assembleert.
  • Verwijder de twee afstandsringen “A” en de schroef “B” van de achterkant van de kookplaat.
  • Monteer het achterscherm zoals aangegeven in afb. 7.2 en bevestig het door de schroef “B” en de afstandsringen “A” vast te draaien. De verstelbare poten monteren De verstelbare poten moeten aan de onderkant van het fornuis worden gemonteerd voordat het fornuis in gebruik wordt genomen (afb. 7.3). Bewegingssysteem van het fornuis Waarschuwing Het rechtop zetten van het fornuis moet altijd door twee personen worden gedaan, om te voorkomen dat de verstelbare poten schade oplopen tijdens deze manœuvre (afb. 7.4). Waarschuwing Til het fornuis bij het rechtop zetten niet op aan de deurhendel (afb. 7.5). Waarschuwing Sleep het fornuis NIET over de vloer wanneer u het naar de plaats van installatie vervoert (afb. 7.6). Til het fornuis zo ver op dat zijn poten de vloer niet raken (afb. 7.4). Het fornuis waterpas zetten Het fornuis kan waterpas geplaatst worden door de uiteinden van zijn poten IN of UIT te draaien (afb. 7.7). Bevestigingssteun Waarschuwing Om te vermijden dat het apparaat kantelt, moet het ondersteund worden door een steun aan de achterzijde van het apparaat te plaatsen en het veilig aan de muur te bevestigen. Om de bevestigingssteun te plaatsen:

2. Boor twee gaten met een diameter van 8 mm in de wand en steek er de bijgeleverde plastic pluggen in. Attentie Controleer of er geen leidingen of elektriciteitsdraden beschadigd kunnen worden door de gaten te boren.

3. Plaats de bevestigingssteun losjes met de twee bijgeleverde schroeven.

4. Zet het fornuis tegen de muur en pas de hoogte van de bevestigingssteun aan, zodat deze in de gleuven aan de achterzijde van het fornuis past (zie afb. 7.8).

5. Draai de schroeven van de bevestigingssteun vast.

6. Duw het fornuis tegen de muur zodat de bevestigingssteun zich volledig in de gleuven aan de achterzijde van het fornuis bevindt.

Let op

Let goed op wanneer u het fornuis op zijn plaats schuift om te voorkomen dat de voedingskabel in de steunbeugel wordt vastgeklemd. Let extra goed op de gasslang. Eisen voor de ventilatie De installateur dient de plaatselijk geldende regelgeving m.b.t. de ventilatie van het vertrek en de afvoer van verbrandingsproducten in acht te nemen. Tijdens een intensief en langdurig gebruik kan extra ventilatie nodig zijn, bijvoorbeeld door een raam te openen of door de afzuiginstallatie - indien aanwezig - op een hogere vermogensstand te regelen. Installatieruimte De ruimte waarin het gastoestel wordt geplaatst, moet over een natuurlijke luchtstroom beschikken zodat het gas kan branden (in overeenstemming met de geldende plaatselijke regelgeving). De luchtstroom moet afkomstig zijn van een of meer openingen in de buitenmuren met een vrije ruimte van ten minste 100 cm² (of verwijzen naar de geldige lokale regelgeving). De openingen moeten dicht bij de bodem zijn, bij voorkeur aan de kant tegenover de uitlaat voor verbrandingsproducten, en moeten zo gemaakt zijn dat ze noch van binnen, noch van buiten kunnen geblokkeerd worden. Wanneer het niet mogelijk is om zulke openingen te maken, mag de nodige lucht ook afkomstig zijn uit een aanpalende ruimte die voldoende verlucht is, indien dat geen slaapkamer of gevarenzone is (in overeenstemming met de geldige plaatselijke regelgeving). In dat geval moet de keukendeur zorgen voor een luchtstroom. Afvoer van de verbrandingsgassen Er moet een afzuigkap in directe verbinding met de buitenlucht voorzien worden zodat verbrandingsproducten van het gastoestel afgevoerd kunnen worden (afb. 7.9). Indien dat niet mogelijk is, kan gebruik gemaakt worden van een elektrische ventilator, die aan de buitenmuur of een raam bevestigd is. Deze moet een vermogen hebben zodat per uur 3-5 keer zoveel lucht als het totale volume van de keuken verplaatst wordt (afb. 7.10). De ventilator kan alleen geplaatst worden indien de ruimte voldoende luchtopeningen heeft waardoor de lucht kan binnenkomen, zoals beschreven in het hoofdstuk ‘Keuze van geschikte plaats'. 8 Gasgedeelte De wanden van de naast het fornuis opgestelde de meubels moeten uit hittebestendig materiaal vervaardigd zjin. Vóór de installatie moet men verifiëren of het plaatselijk distributienet (type van gas en druk) en de karakteristieken van het toestel compatibel zijn. De karakteristieken staan aangeduid op de plaat of op het etiket. Gasaansluiting De installatie mag uitsluitend worden uitgevoerd door een gekwalificeerd elektricien, in overeenstemming met de lokaal geldende voorschriften. Het fornuis is bij levering klaar voor gebruik met het type gas dat op het etiket op het toestel is vermeld. Verzeker u ervan dat de ruimte waarin het fornuis geïnstalleerd wordt goed geventileerd is, in overeenstemming met de geldende voorschriften. Ook de aansluiting op de gasaanvoerbuis of gasfles moet aan de geldende voorschriften voldoen. De gasaanvoerbuis wordt aan de achterkant van het fornuis (afb. 8.1) aangesloten op de “R” of “L” gasinlaat; de aansluitbuis mag niet langs de achterkant van het apparaat lopen. De niet-gebruikte gasinlaat moet worden afgesloten met de plug (T) en afdichtingsring. Gebruik een vaste of buigzame aansluitbuis die aan de geldende voorschriften voldoet. Als er een klemringkoppeling gebruikt wordt, dan moet deze stevig worden aangedraaid met twee moersleutels (afb. 8.2a, 8.2b). Verzeker u van het volgende:

  • Dat de buigbare buis (slang) niet in aanraking kan komen met delen van het fornuis waar de oppervlaktetemperatuur 70°C boven de omgevingstemperatuur kan stijgen;
  • Dat de slang niet langer is dan 75 cm en dat hij niet in aanraking kan komen met scherpe randen of hoeken;
  • Dat de slang niet gespannen, gewrongen, geknikt of te sterk gebogen is;
  • Dat de aan sluiting met een onbuigzame metalen buis geen trekkracht op de gasinlaat van het apparaat uitoefent.
  • Vervang de afdichtingsring bij de minst geringste vervorming of onvolmaaktheid.
  • Dat de buis zonder moeite over zijn hele lengte geïnspecteerd kan worden; de buis moet na ten hoogste drie jaar vervangen worden.
  • Dat de kraan van de gastoevoerleiding of gasfles dicht gedraaid is wanneer het apparaat niet in gebruik is. A) Gassoorten CAT: II 2EK3B/P Het gas dat kan worden gebruikt kan in twee families worden onderverdeeld:
  • G25.3 aardgas
  • G20 aardgas
  • G30 / G31 Butaan/Propaan De aansluitset (zie afb. 8.3) bestaat uit: A - Gasinlaat (R of L) B - Afdichtingsring C - Verloopstuk Belangrijk De afdichtingsring “B” (afb. 8.3) zorgt dat er geen gas uit de gasaansluiting lekt. Vervang de afdichtingsring bij de minste geringste vervorming of onvolmaaktheid. Gebruik voor het aanschroeven van de onderdelen twee sleutels (zie afb. 8.2a). Controleer, na voltooiing van de aansluiting, met behulp van een zeepoplossing, en nooit met een vlam, of de verbindingen gasdicht zijn. B) aansluiting aan de gas CAT: II 2E+3+ Het toestel wordt links- of rechtsachteraan aan de gastoevoer aangesloten (afb. 8.1) op een zodanige manier dat de buis nooit achter het toestel loopt. Het niet gebruikte uiteinde van de aansluiting (links of rechts) moet met de dop en afdichtingstuk afgesloten worden.
  • De installatie mag uitsluitend worden uitgevoerd door een gekwalificeerd elektricien in overeenstemming met lokaal geldende voorschriften (norm NBN D 51-003).
  • De wanden naast het fornuis moeten uit hittebestendig materiaal vervaardigd zijn, of met zulk materiaal bekleed zijn.
  • Ventilatie - gasverbranding is mogelijk door zuurstof in de lucht. Het is dus nodig om deze lucht te vernieuwen en om de brandbare delen te vernieuwen. Het volume van de vernieuwde lucht moet ten minste 2m3/u per kW. Het gas dat kan worden gebruikt, kan in 2 families worden verdeeld afhankelijk van hun eigenschappen:
  • Vloeibaar gas: butaangas (G30) en propaangas (G31)
  • Aardgas (G20/G25) Het fornuis is bij levering klaar voor het gebruik met het type gas dat op het etiket van het toestel vermeld staat. Het kan soms nodig zijn om van een type gas op een ander over te schakelen. U moet als volgt te werk gaan, ongeacht voor welk type gas het toestel afgesteld is:
  • Gasaansluiting
  • Vervanging van de inspuiters
  • Regeling van de kleinstand van de branders Controleer of het toestel afgesteld is op het type gas dat toegevoerd word De gasinstallatie moet voldoen aan de lokaal geldende voorschriften. De aansluiting (afb. 8.4) bestaat uit:
  • 1 buisfitting "A" (cilindrisch buitendraad ISO 228-1)
  • 1 pakkingring “D”
  • 1 kegelvormig verloopstuk “ B” (cilindrisch met binnendraad ISO 228-1, kegelvormig met buitendraad ISO 7-1)
  • 1 verloopstuk voor butaan- en propaangas “C” Het toestel moet worden aangesloten met RTH materiaal op AGB/BGV erkende gaskranen behalve fornuizen met een mono-fase aansluiting. In het algemeen gebeurt de aansluiting van het product op de gaskraan met behulp van:
  • Ofwel koperbuizen met aangepaste dikte;
  • Ofwel stalen buizen;
  • Ofwel een metalen RTH
  • Slang AGB erkend en zodanig geinstalleerd dat hij niet samengedrukt is, niet kan bewegen en geen kleinere kromming heeft dan voorgeschreven door de fabrikant. Uitzondering voor toestellen met mono-fase.
  • Deze toestellen kunnen aangesloten worden met behulp van een slang in elastomeer aan de vaste mechanische verbinding; gebruik alleen “AGB/BGV” erkende slangen.
  • Twee types van elastomeerslangen: tot 1 april 2005 waren er twee types van flexibele buizen in elastomeer verkrijgbaar:
  • Het oude type (asymmetrisch) bevat een vast verdeelstuk aan het toestel en een buisfitting met vlak verbindingstuk aan de gaskraan;
  • Het nieuwe type (symmetrisch) bevat aan elke kant een buisfitting met vlak verbindingstuk; uiteindelijk zal alleen het symmetrische model beschikbaar zijn. Indien het toestel nieuw geplaatst wordt of vervangen wordt, moet men altijd het symmetrische type gebruiken. Aansluiting Oude toestellen zijn uitgerust met een kegelvormige aansluiting ISO 7-1 - de slang wordt als volgt aangebracht:

1. Breng een afdichtingsproduct aan op het net van het toestel: teflon of afdichtingsmix evenals kunstvezelstof;

2. Breng het tussenstuk (cylindrisch binnendraad ISO 7-1 cylindrisch buitendraad ISO 228-1) met twee sleutels op het toestel aan;

3. Controleer of het afdichtingstuk goed ingebracht is in het verloopstuk van de elastmeerslang (nieuw model);

4. Breng de elastomeerslang aan beide kanten met de hand aan;

5. Geef nog een halve draai met de sleutel;

6. Open de gaskraan en controleer met behulp van zeepproducten dat er geen gaslekken (zeepbellen) zijn aan de aansluiting. De nieuwe toestellen zijn uitgerust met een aansluiting ISO 228-1; voor de aansluiting volg fase 3, 4, 5, en 6 zoals hierboven beschreven. Voorzorgsmaatregelen:

  • De flexibele buis moet zo worden aangebracht dat ze niet gewrongen, samengedrukt zit en niet kan bewegen;
  • De flexibele buis moet zo worden aangebracht dat ze niets aanraakt;
  • De kromming moet tenminste 10 keer de buitendiameter zijn;
  • Ze mag niet in contact komen met warme wanden;
  • Breng ze aan op een gemakkelijk te bereiken plaats zodat u ze over heel de lengte kan controleren;
  • Ze mag niet aan de zon of ultraviolet stralen blootgesteld worden of in een verwarmde plaats staan. Regelmatige controle en vervanging Minstens eenmaal per jaar moet de slang gecontroleerd worden op elke zichtbare verslechtering; de slang moet uiterlijk op de aangegeven datum vervangen worden. Onderhoud van de gasbranders Vervanging sproeiers van de branders Elk kooktoestel wordt geleverd met een serie sproeiers voor de verschillende gassoorten. De nieuwe sproeiers moeten gekozen worden op grond van de “Tabel van de sproeiers”. De diameter van de sproeiers, uitgedrukt in honderdste millimeters, is aangegeven aan de buitenkant. Als er geen spuitstukken zijn meegeleverd, dan zijn deze te verkrijgen bij de Servicecentra. Vervanging van de injectoren van de kookplaat branders Ga als volgt te werk om de sproeiers te vervangen:
  • Verwijder de panroosters en de kapjes van de branders, trek de bedieningsknoppen en de eventueel aanwezige ontstekingsknop los en verwijder ook deze.
  • Vervang m.b.v. een pijpsleutel de sproeiers “J” (afb. 8.8a, 8.8b, 8.9) door nieuwe die geschikt zijn voor het type gas dat gebruikt wordt. De branders zijn zodanig ontworpen dat er geen afstelling van de primaire lucht nodig is. Regeling van de kleinstand van de branders van de kooktafel Een correcte vlam bij kleinstand moet ongeveer 4 mm zijn. Een bruusk overgaan van volstand naar kleinstand mag nooit het doven van de vlam tot gevolg hebben. Snelle brander, halfsnelle branders en superbrander met driedubbele krans:
  • De vlam wordt als volgt geregeld:
  • De brander aansteken.
  • De kraan op kleinstand plaatsen.
  • De knop wegnemen. Met behulp van een kleine schroevendraaier de schroef (F1) in de kraanstift draaien tot een correcte regeling uitgevoerd (afb. 8.10). Binnenkroon van combibrander:
  • Steek de DUAL-brander aan.
  • Stel de gasklep in op de “minimum toevoer”.
  • De knop wegnemen.
  • Met behulp van een kleine schroevendraaier de schroef (F3) in de kraanstift draaien tot een correcte regeling uitgevoerd (afb. 8.11). Buitenkronen van de combibrander:
  • Steek de DUAL-brander aan.
  • Stel de gasklep in op de “minimum toevoer”.
  • De knop wegnemen.
  • Met behulp van een kleine schroevendraaier de schroef (F2) in de kraanstift draaien tot een correcte regeling uitgevoerd (afb. 8.11). Voor G30 / G31 gas dient de schroef volledig ingeschroefd te worden.

Was dit artikel nuttig?

Aantal gebruikers dat dit nuttig vond: 0 van 0

Geen antwoord op je vraag gevonden?